MENU

Geef God de ruimte om recht te doen

Onrecht doet iets met je.

Iemand liegt over je.
Je wordt verkeerd behandeld.
Je wordt gepasseerd, afgewezen of gekleineerd.
Iemand beschadigt je vertrouwen.

Misschien heb je jarenlang het goede gedaan en lijkt iemand anders er vervolgens gewoon mee weg te komen.
En diep vanbinnen komt die gedachte naar boven:
Dit is niet eerlijk! Hier moet iets mee gebeuren.

Dat verlangen naar recht is niet vreemd. We dienen immers een rechtvaardige God. Een God Die kwaad niet goed noemt en onrecht niet onverschillig aankijkt.

Maar juist daar ligt ook een geestelijke uitdaging:

Wat doe jij met het onrecht dat jou is aangedaan?

Neem je uiteindelijk zelf het recht in handen?

Of durf je het uit handen te geven?

Wanneer je zelf het zwaard wilt pakken

In 1 Samuël 25 lezen we een indrukwekkend verhaal over David.

David wist inmiddels wat onrecht was. Zijn eigen familie leek hem aanvankelijk nauwelijks serieus te nemen. Koning Saul, die hij trouw had gediend, werd jaloers op hem en probeerde hem zelfs te doden. David moest vluchten terwijl hij niets had gedaan waarmee hij dat verdiende.

Toch bleef hij lange tijd wachten op God.

Hij was gezalfd om koning te worden, maar weigerde zelf de troon te grijpen.

Totdat hij Nabal tegenkwam.

Nabal was een buitengewoon rijke man met duizenden schapen en geiten. David en zijn mannen hadden Nabals herders beschermd terwijl zij in het gebied verbleven. Toen de tijd van het schaapscheren aanbrak — traditioneel een tijd van feest en overvloed — stuurde David enkele mannen naar Nabal met een vriendelijk verzoek om iets van zijn overvloed met hen te delen.

Nabal reageerde echter grof, ondankbaar en beledigend.

Hij deed alsof David niemand was.

En toen knapte er iets bij David.

De man die zoveel onrecht van Saul had verdragen, riep ineens tegen zijn mannen:

“Doe je zwaard om.”

Vierhonderd gewapende mannen gingen op weg.

David wilde niet alleen Nabal straffen. In zijn woede stond hij op het punt iedereen die bij Nabals huishouding hoorde te doden.

Zijn boosheid was begrijpelijk.

Zijn reactie was dat niet.

De toekomstige koning die later recht moest spreken, stond op het punt zelf groot onrecht te bedrijven.

Het gevaar van onverwerkt onrecht

Daar zit een indringende waarschuwing voor ons in.

Een van de grootste gevaren van onverwerkt onrecht is dat het onrecht dat jou is aangedaan, jou verleidt om zelf onrechtvaardig te worden.

Iemand praat slecht over jou, dus praat jij slecht over hem.

Iemand negeert jou, dus negeer jij hem terug.

Iemand nodigt jou niet uit, dus besluit jij dat hij de volgende keer ook niet welkom is.

Iemand corrigeert jou waar anderen bij zijn en diep vanbinnen wacht je op het moment waarop jij hetzelfde bij hem kunt doen.

Wraak ziet er lang niet altijd uit als een spectaculaire daad.

Soms is wraak simpelweg:

“Jij hebt mij iets niet gegund, dus ik gun het jou ook niet meer.”

Het is pijn die wordt teruggestuurd naar de afzender.

Maar daarmee verdwijnt de pijn niet.

Wraak beëindigt pijn niet. Wraak geeft pijn door.

De één verwondt de ander.

Die reageert vanuit zijn wond.

Daar komt opnieuw een reactie op.

En uiteindelijk hebben we niet meer gerechtigheid gekregen, maar alleen meer gewonde mensen. Verwonde mensen verwonden mensen.

Er is maar één Rechterstoel

Wanneer we gekwetst zijn, gebeurt er iets gevaarlijks.

Onze pijn begint het bewijs te beoordelen.

Onze boosheid bepaalt de strafmaat.

Onze emotie spreekt het vonnis uit.

En onze gekwetstheid wil dat vonnis vervolgens uitvoeren.

Precies dat gebeurde bij David.

Nabal had verkeerd gehandeld. Daar bestond geen twijfel over.

Maar David ging vanuit zijn pijn veel verder. Niet alleen Nabal moest volgens hem sterven; alle mannen in zijn huishouding moesten worden gedood.

Hier moeten wij een belangrijke geestelijke grens bewaken:

Er is één Rechterstoel waarop uiteindelijk alleen God mag zitten.

Romeinen 12:19 zegt:

*“Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.”

Dat betekent niet dat kwaad ineens goed is.

Het betekent ook niet dat grenzen niet nodig zijn.

Het betekent niet dat strafbare zaken niet bij politie of justitie zouden mogen worden gebracht.

Het betekent iets anders:

Ik weiger persoonlijk de rechter en uitvoerder van vergelding te worden.

Vergeving haalt de zaak niet van tafel

Soms denken we bij vergeving:

“Ach, zand erover.”

Maar Bijbelse vergeving is geen ontkenning van wat er is gebeurd.

Wanneer iets verkeerd was, mag het verkeerd worden genoemd.

Wanneer iemand je heeft beschadigd, mag je dat erkennen.

Wanneer grenzen zijn overschreden, mogen nieuwe grenzen nodig zijn.

Daarom is dit zo belangrijk:

Vergeving haalt de zaak niet van tafel. Vergeving legt de zaak op Gods tafel.

Je zegt niet:

“Het stelde niets voor.”

Je zegt:

“Het was werkelijk verkeerd, maar ik weiger mijn leven te laten beheersen door de behoefte om het jou betaald te zetten.”

Vergeving betekent dat je afstand doet van persoonlijke vergelding.

Je draagt de zaak over.

Aan God.

Vergeven betekent niet automatisch vertrouwen

Ook hierin ontstaat soms verwarring.

Je kunt iemand vergeven zonder die persoon onmiddellijk opnieuw te vertrouwen.

Vergeving en vertrouwen zijn niet hetzelfde.

Vergeving en verzoening zijn ook niet hetzelfde.

Voor werkelijk herstel van een relatie kunnen waarheid, erkenning, bekering, verandering en opnieuw opgebouwd vertrouwen nodig zijn.

Maar vergeving zegt:

“Ik blijf niet langer jouw schuld innen in mijn hart.”

Ik laat mijn leven niet meer beheersen door de rekening die ik bij jou heb openstaan.

Vergeving is jouw deel. Recht doen is Gods deel.

Misschien is dat wel een van de belangrijkste lessen: Vergeving is jouw deel. Recht doen is Gods deel.

Daar is vertrouwen voor nodig.

Want wanneer jij een zaak aan God overdraagt, geef je niet alleen je behoefte aan vergelding los.

Je geeft ook jouw gewenste uitkomst los.

En dát kan moeilijk zijn.

Wij hebben vaak al precies bedacht hoe God de situatie zou moeten oplossen.

Die persoon moet schuld erkennen.

Die ander moet eindelijk door iedereen worden doorzien.

God moet aantonen dat jij gelijk had.

Er moet dit gebeuren. Daarna dat.

Maar werkelijk loslaten zegt:

“Vader, U kent het hele verhaal. U bent rechtvaardig. Ik geef het aan U en ik vertrouw U ook met de manier waarop U hiermee omgaat.”

Dat is geloof.

Niet alleen geloven dát God bestaat, maar Hem voldoende vertrouwen om Hem God te laten zijn.

Laat los en geef God ruimte

Romeinen 12 gebruikt een opvallende uitdrukking:

“Laat ruimte.”

Dat is precies wat loslaten doet.

Zolang jij het zwaard vasthoudt, ben jij bezig.

Zolang jij zelf het vonnis wilt uitvoeren, probeer jij de rechterstoel te bezetten.

Maar wanneer jij loslaat, ontstaat er ruimte.

Ruimte voor God.

Daarom kan de uitnodiging van God soms heel eenvoudig zijn:

Laat het los. Laat Mij God zijn.

Je hoeft niet het laatste woord te hebben.

Je hoeft niet iedereen te overtuigen van jouw gelijk.

Je hoeft niet zelf de rekening te innen.

Je hoeft niet te dragen wat God nooit aan jou heeft gegeven om te dragen.

Hoe geef je onrecht werkelijk uit handen?

Er zijn vier praktische stappen.

1. Benoem eerlijk wat er is gebeurd

Vergeestelijk je pijn niet weg.

Zeg tegen God wat je werkelijk voelt.

“Heer, dit heeft mij pijn gedaan.”

“Dit was niet eerlijk.”

“Hier zijn mijn grenzen overschreden.”

“Ik voel mij afgewezen.”

God vraagt je niet om te doen alsof het geen pijn heeft gedaan.

Nodig Hem juist uit in die pijn.

2. Leg je recht op persoonlijke vergelding neer

Besluit bewust: Ik ga het jou niet betaald zetten.

Ik stuur de pijn niet terug.

Ik hoef jou niet te laten voelen wat jij mij hebt laten voelen.

Dat is vergeving.

3. Geef de zaak bewust aan God

Bid concreet:

“Vader, U hebt gezien wat er is gebeurd. U kent mijn hart en U kent het hele verhaal. U bent de Rechter, niet ik. Daarom leg ik deze persoon en deze situatie in Uw handen.”

En laat de zaak daar vervolgens ook liggen.

4. Kies ervoor zelf recht te blijven doen

Misschien is dit wel het belangrijkste.

Laat het kwaad van iemand anders niet bepalen wie jij wordt.

Omdat iemand liegt, hoef jij niet te liegen.

Omdat iemand kwaadspreekt, hoef jij niet kwaad te spreken.

Omdat iemand jou buitensluit, hoef jij niet vanuit dezelfde geest terug te slaan.

David stond op het punt om door één daad zijn eigen toekomst te beschadigen.

Laat het onrecht van een ander jouw karakter niet veranderen.

Wat houd jij nog vast?

Er bestaat een bekend beeld van een aapje dat zijn hand in een smalle pot steekt om iets lekkers te pakken.

Zodra het zijn vuist sluit, krijgt het zijn hand niet meer uit de pot.

Het kan onmiddellijk vrij zijn.

Het hoeft maar één ding te doen: loslaten.

Maar juist dat wil het niet.

Misschien dragen wij soms ook dingen mee die ons al veel te lang vasthouden.

Een gebeurtenis.

Een teleurstelling.

Een persoon.

Een uitspraak.

Een beschadiging.

Een situatie die volgens ons heel anders had moeten verlopen.

En terwijl wij denken dat wij het vasthouden, houdt het ondertussen óns vast.

Misschien zegt God vandaag: “Laat het los.”

Niet omdat het onrecht er niet toe doet.

Maar juist omdat het ertoe doet.

Leg het daarom bij Degene Die volledig rechtvaardig is.

Leg het zwaard neer

Misschien is dit vandaag jouw gebed:

Vader, ik laat het los.

Ik geef U de ruimte.

U hebt gezien wat er is gebeurd.

Ik hoef niet zelf rechter te zijn.

Ik hoef geen wraak te nemen.

Ik leg deze zaak in Uw handen.

Help mij om zelf recht te blijven doen.

Laat het kwaad van een ander niet bepalen wie ik word.

Ik vertrouw U.

In Jezus’ naam. Amen.

Onthoud dit:

Wraak neemt de ruimte in die aan God toebehoort.

Vergeving geeft God die ruimte terug.

Dus leg het zwaard neer.

Laat los.

En vertrouw erop dat de rechtvaardige Koning weet wat Hij doet.