Artikelen

Getuigenis Martha Hempenius tot eer en glorie van God (deel 1)

Categories: Getuigenissen

Ik vind het fijn om mijn hart te delen, omdat ik geloof dat een getuigenis kan bijdragen in het herstel van andere mensen. Daarom wil ik iets vertellen over mijn leven en wat God in mijn leven gedaan heeft.

Ik ben Martha Hempenius. Nu een gelukkig mens en blij met de manier, waarop ik me mag bewegen in mijn gezin en de gemeente. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Ik ben in 1943 in Apeldoorn geboren in een gezin van zeven kinderen, drie zussen en drie broers. Mijn ouders zijn door een valse profetie bij elkaar gekomen en er was geen liefde in het gezin. Ik was een heel verlegen meisje en het sloofje van het gezin. Mijn moeder hield mij heel veel thuis van school, want zei ze, “je bent toch te dom om te leren”. Ik moest naar een BLO-school en werd regelmatig thuis gehouden om te helpen in de huishouding.

Er waren veel problemen en ruzies in ons gezin. Ik probeerde vaak vrede te stichten, want ik kon niet tegen ruzie. Ook werd ik veel geslagen.
Ogenschijnlijk kregen wij een christelijke opvoeding, maar in werkelijkheid was er geen liefde. Mijn vader was lid van een groep, die zich de gemeente des Heeren noemde. Mannen en vrouwen werden daar gescheiden werden en men nam de Bijbel soms wel erg letterlijk. Na een paar jaar kwamen mijn ouders in contact met een groep genaamd de Spade Regen.
In deze groep kregen mijn ouders een profetie te horen, dat ze hun kinderen de deur uit moesten doen en zodoende werd ik in een pleeggezin geplaatst.

Na negatieve gebeurtenissen in de Spade Regen gingen mijn ouders daar weg en wilden de kinderen weer thuis hebben.
Via de politie wilden ze ons weer naar huis halen, maar dat wilden wij niet meer. Ze zijn toen door de rechter uit hun ouderlijke macht gezet en ik werd met één van mijn zussen in een internaat geplaatst. Ik was toen 15 jaar. We hebben tot ons 21ste jaar onder de voogdijraad gestaan.

Er zijn toen hele moeilijke jaren van afwijzing en liefdeloosheid aangebroken. Op een dag stond er een advertentie in de krant: “echtpaar zonder kinderen zoekt woonruimte”. Dit waren mijn ouders. Over afwijzing gesproken.

Mijn geloof had ik inmiddels al op gegeven.
Als dit het geloof was, hoefde het niet van mij. Al die verhalen over liefde en geborgenheid, daar geloofde ik niet meer in. Ik wilde er niets meer mee te maken hebben.

Wij kunnen God los laten, maar Hij laat ons niet los!
Toen ik 17 jaar was, woonde ik al op kamers in Bloemendaal. Daar werkte ik bij bejaarden in een verpleeghuis.
Dat was niet mijn keus. Ik wilde graag met kinderen werken , maar daar was ik zeker ook weer te dom voor, dus moest ik maar werken bij de bejaarden.

In die periode kwam ik in contact met een christen en die nodigde mij uit voor een jeugdavond. Hoewel ik het geloof de rug had toegekeerd, ben ik toch maar meegegaan. Mede door deze avond kwam ik in contact met een voorgangers gezin en werd door hen heel goed opgevangen.

Deze mensen gaven mij waar ik zo naar verlangde, echte liefde.
In 1960 nam ik de Here Jezus aan als mijn persoonlijke Verlosser en in 1961 heb ik me laten dopen.
Mijn dooptekst was 1 Tim. 6:12 “Grijp het eeuwige leven waartoe gij geroepen zijt”.

Ik vond het een beladen tekst en wist niet goed wat ik er mee moest.

Deel 2 ook lezen, klik hier